Hoofdstuk 10 - HSV de Voorn te Harlingen

Hengelsportvereniging 'De Voorn'
Harlingen
Ga naar de inhoud

Hoofdstuk 10

Vissen > Leren Vissen
Feedervissen Les 2, Het materiaal

De volgende materialen zijn nodig voor het feedervissen:
  • Feederhengel (met reservetoppen) met werpmolen;
  • Landingsnet en leefnet;
  • Stoel of zitmand;
  • Emmer;
  • Feedervoer;
  • Haakjes;
  • Onderlijnen;
  • VISpas;                                                                                                                                         
  • Hakensteker;
  • Handdoek;
  • Aas: maden/pieren;
  • Voerkorven;
  • Warteltjes;
  • Vislijn;
  • Hengelsteun;
  • Montages
  • Voorslag;
  • Onderlijnen;
  • Opbergklosjes voor onderlijnen en montages.

Bovenstaande artikelen zullen hieronder behandeld worden.

Feederhengel en werpmolen:
Zoals in de inleiding reeds besproken is hangt de keuze van de hengel af van het water waarin gevist wordt. Hoe verder geworpen moet worden, des te meer body moet de hengel hebben. Een goede keus is om een medium feeder aan te schaffen. Met een medium feeder kunnen afstanden tot 50 meter (of met de wind in de rug nog verder) geworpen worden, maar een dergelijke hengel is ook in te zetten om minder ver te werpen.

Erg handig is het als er meerdere toppen bij de hengel geleverd zijn, in verschillende diktes. Een stuggere top doet het beter als er ver gegooid moet worden en het stevig waait, een dunne top is beter als het rustig weer is met weinig golfslag. Een stelregel is hoe dunner de top, hoe gevoeliger en hoe beter de aanbeten te zien zullen zijn.
Een heavy feeder is er op gebouwd om er ver mee te kunnen werpen met aanzienlijke loodgewichten. Een dergelijke hengel is minimaal 4.20 m lang en heeft grote ogen, zodat de lijn zo weinig mogelijk weerstand ondervindt tijdens het werpen.

De keuze van de werpmolen is ook afhankelijk van het type feederhengel. Bij de keuze van een medium feederhengel kan het best gekozen worden voor een molen met een brede spoel, aangezien de lijn bij het werpen dan minder weerstand ondervindt. Dit is prettig bij verre worpen. In het geval van een winkle picker of een lichte feeder kan beter een kleinere molen gekozen worden.
Een opgetuigde feederhengel bestaat uit de volgende onderdelen: hengel met molen - hoofdlijn (meestal gevlochten lijn of dyneema) - voorslag - montage - onderlijn met haak. Over de soorten vislijnen, de montage, de voorslag en de onderlijn leest u elders in deze les.

Landingsnet en leefnet:
Een landingsnet is nodig om een zware vis te landen, probeer nooit om deze zo uit het water te tillen. Ten eerste is dit dierenkwelling en verder is de kans op lijnbreuk groot!
Een leefnet wordt gebruikt om de vis tijdelijk in te bewaren tijdens een wedstrijd. Gebruik een leefnet gemaakt van knooploos materiaal en met een minimale lengte van 3 meter.  Let er op dat bij het uitzetten het leefnet gestrekt in het water staat, zodat de vis de ruimte in het leefnet kan benutten om te zwemmen. Zorg er ook voor dat golfslag geen vat kan krijgen op het leefnet.

Stoel of zitmand:
Zorg dat u ontspannen en comfortabel kan zitten, bij voorkeur goed horizontaal (waterpas). Er zijn goede stoelen en zitmanden verkrijgbaar bij een hengelsportzaak. Laat u goed voorlichten over de juiste keuze. Om horizontaal te kunnen zitten op een hellende oever kan een plateau of vlonder handig zijn. Ook is het mogelijk om in het geval van een zitmand twee verstelbare poten te monteren. Tegenwoordig zijn er ook zitmanden met ingebouwde vlonder. Voor de gevorderde feedervisser is dit zeker een keuze om in overweging te nemen.

Emmer:                                                                                                              
Een emmer is handig om een vis vast te kunnen pakken met natte handen, zodat zijn slijmlaag niet beschadigt. Verder kunnen de vieze handen (slijm, voer) er in schoongespoeld worden en is er altijd water voorhanden om het voer te bevochtigen. Tenslotte kan een grote emmer gebruikt worden om de visspulletjes in te vervoeren van de auto naar de stek en andersom.

Feedervoer:
Het voer is een heel belangrijk onderdeel van het feedervissen. Het kan het verschil uitmaken tussen heel veel vangen of niets vangen, daarom dient dit met zorg bereid te worden, onderschat het niet! Het verschil met vaste stokvoer is dat feedervoer veel plakkeriger moet zijn dan vaste stokvoer. Het voer mag pas uit de korf gaan als deze de bodem bereikt heeft en niet eerder. Dit is met name van belang bij diep en/of stromend water. Er zijn diverse soorten kant en klaar feedervoer in de handel, de schrijver van deze les gebruikt zelf onderstaand recept en kan dit u zeker aanraden. Deze hoeveelheid is normaal gesproken ruim voldoende voor 4 à 6 uur vissen met de feederhengel.
800 gram Berlok (kant-en-klaar voer)
160 gram Wafelmeel
160 gram TTX (maiskoek)
50 gram Caramel
530 ml Water
Brasem is gek op zoetigheid, vandaar de wafelmeel en de caramel. De bereidingswijze is als volgt:
Zet minstens een dag van te voren de TTX in de week. Neem een plastic bakje met afsluitbaar deksel en weeg de TTX hier in af op een keukenweegschaal. Voeg 150 ml water toe. Het mengsel wordt nu lekker smeuig. Als je dan met de hand wat uit het bakje neemt en er in knijpt, dan loopt het water er uit. Doe het deksel op het bakje en plaats het in de koelkast.
Weeg de avond voor het vissen de overige ingrediënten af in een ruime emmer en voeg de 530 ml water toe. Doe de TTX er bij (het is nu een harde koek geworden) en meng goed met de platte hand, zodat klonten zoveel mogelijk fijngewreven worden en het water goed verdeeld wordt.

 

Laat het voer nu minimaal twee uren staan, de ingrediënten zullen het vocht nog opnemen. Druk het voer nu door een grove zeef, zodat het vocht optimaal verdeeld wordt en alle klonten er uit zijn. Voeg voor het vissen pinkies (kleine maden) toe en eventueel casters, geknipte pieren of mais (al of niet verbrokkeld). Bewaar het voer in een emmertje met afsluitbaar deksel, zodat het niet indroogt of te nat wordt als het regent. Het is niet raadzaam om te veel pinkies toe te voegen. Wanneer het voer met de pinkies in de voerkorf wordt gedaan beginnen de kleine maden te kruipen en maken het voer hierdoor los, waardoor het te vroeg uit de korf kan gaan.
Over de wijze waarop gevoerd moet worden heb ik het in het volgende hoofdstuk: het feedervissen in de praktijk.

Haakjes:
Voor het feedervissen gebruiken we andere haken dan bij het vissen met de vaste stok. Vaste stok haakjes zijn te klein, deze leveren alleen maar missers op bij deze manier van vissen. Feederhaakjes hebben een ruimere bocht en zijn groter, meestal wordt een nr. 10 of nr. 12 gebruikt. Ze zijn groot genoeg om er een flinke mestpier aan te kunnen prikken, met daarna een made (om te voorkomen dat de mestpier zich van de haak kronkelt).
U zult regelmatig een haak verspelen, zorg dat u over voldoende voorraad beschikt.

Onderlijnen:
Bij het feedervissen wordt gebruik gemaakt van onderlijnen. Een veelgebruikte lengte is 60 cm lang. Aan de ene kant van de lijn zit een lusje en aan de andere kant de haak. Het is handig om wat lijnen van verschillende lengtes en diktes mee te nemen. Zoals reeds gezegd is 60 cm een veelgebruikte lengte. Krijgt u tijdens het feederen veel missers of bijt de vis erg voorzichtig, dan is het handig om een langere onderlijn te gebruiken (80 à 100 cm). Is de vis gulzig en wordt de haak steeds geslikt, gebruik dan een kortere onderlijn (30 cm). Een gangbare dikte is 0,12 of 0,14 mm, maar als er veel grote brasem op de stek zit kunt u rustig 0,18 mm gebruiken.

VISpas:
Bij het vissen in Nederland dient u over een VISpas te beschikken, deze wordt uitgegeven door Sportvisserij Nederland i.c.m. de aangesloten federaties en hengelsportverenigingen. Voor een VISpas kunt u terecht bij de plaatselijke hengelsportvereniging of hengelsportwinkelier. Er zijn meedere soorten VISpassen, welke u nodig hebt kunt u opzoeken op de website van Sportvisserij Nederland of hier. Tijdens het vissen dient u over een geldige VISpas te beschikken samen met de lijst van viswateren. Deze twee documenten samen is de schriftelijke toestemming om in een water te mogen vissen. Riskeer geen boete, zorg dat u beide documenten bij u heeft, er wordt veel gecontroleerd!

Hakensteker:
Een hakensteker gebruikt u voor het onthaken van de vis. Er zijn meerdere typen in omloop, zowel van plastic als van metaal. Laat u voorlichten door de hengelsportwinkelier.

Handdoek:
Een oude handdoek wordt gebruikt om de handen af te drogen en om uw vieze slijmhanden aan af te vegen. Riskeer geen ruzie met de vrouw des huizes!

Aas: maden/pieren:
Bij het feedervissen zijn wormen (mestpieren) het aas bij uitstek om grote brasems te vangen. Maden en casters voldoen trouwens ook goed, vanaf eind maart tot eind mei is het bij de wet verboden om met wormen te vissen, dus dan zijn maden en casters (verpopte maden) het aangewezen aas.
Prik de haak twee keer door de pier en doe tenslotte nog een made aan de haak om te voorkomen dat de pier zich van de haak kronkelt. Soms komt het voor dat de vis niet wil azen op mestpieren, probeer in zo’n geval eens alleen maden of een combinatie van maden en casters.

Voerkorven:
Het feedervoer wordt op de visplaats gebracht d.m.v. een voerkorf die aan een montage wordt bevestigd. Het is de bedoeling om steeds weer op dezelfde plaats te werpen en daar een voerplek op te bouwen. Om dat voor elkaar te krijgen is enige oefening nodig, vooral als er op grotere afstand wordt gevist. Ook de werptechniek is erg belangrijk. In les 3 “Het vissen in de praktijk” ga ik daar verder op in en natuurlijk komt dit bij de praktijkles aan bod.
Welke voerkorf wordt gebruikt hangt af van de soort feederhengel, de afstand waarop gevist wordt en de eventuele aanwezigheid van stroming. Hieronder staan enkele afgebeeld.


Dit zijn relatief lichte korven, in gewichten van 10-25 gram en bedoeld om op afstanden tot zo’n 25 meter te vissen. Ze zijn daarom ideaal voor de winkle picker of de lichte feederhengel.



Hierboven zijn verschillende typen speedkorven afgebeeld. Bij de meeste typen steekt het lood uit aan de voorkant, maar er zijn ook typen waarbij het lood rondom de voorkant van de korf is gegoten (tweede korf van links). Het principe is hetzelfde, doordat het lood aan de voorkant is gecentreerd zijn ze zeer geschikt om ver te werpen, omdat de luchtweerstand gering is. Ze zijn daarom vooral bedoeld voor de medium en heavy feeder. Ze zijn er in gewichten van 20 tot meer dan 100 gram. Welke gewichten gebruikt moeten worden hangt af van de afstand die geworpen moet worden, de sterkte van de stroming en het gewicht wat de hengel kan hebben.

Een voorbeeld: wanneer in een (scheepvaart) kanaal met een breedte van 45 meter en een diepte van 3 meter tegen de andere oever wordt gevist, waarbij er geen stroming is, dan zijn speedkorven van 30 tot 40 gram ideaal. Staat er stroming dan wordt aanbevolen om een zwaardere speedkorf te gebruiken van 50 gram of zwaarder, afhankelijk van de sterkte van de stroming.



Tenslotte de stroomkorven. Wanneer er een sterke stroming staat, bijvoorbeeld op een rivier of in een kanaal waar gespuid wordt en een gewone speedkorf blijft niet liggen (gaat rollen), dan kunnen stroomkorven toegepast worden. Stroomkorven zijn door hun hoge gewicht (50 gram tot meer dan 100 gram) niet geschikt om ver mee te werpen. Het loodgewicht zit meestal aan de onderkant, soms is de korf plat van vorm (3e van links) of ze hebben ankers (korf 1 en 4). Het beste kan voor een gewicht gekozen worden wat nèt blijft liggen in de stroom, overdaad is niet nodig.

Opgemerkt moet worden dat het gewicht wat gebruikt moet worden ook afhankelijk is van de lijn waarmee gevist wordt. Gevlochten lijn (dyneema) heeft een grotere weerstand in het water dan nijlon. Wanneer met nijlon wordt gevist dan kan al gauw met 10 gram lichter worden gevist dan wanneer met dyneema gevist zou worden. Om de weerstand op de lijn door stroming te verminderen wordt ook aanbevolen om hoog af te steunen. Het gebruik van een driepootsteun, zoals ook wel wordt gebruikt bij het strandvissen, is hierbij zeer geschikt (zie hiernaast).

Warteltjes:
Warteltjes worden gebruikt om lijnen aan elkaar te bevestigen, bijvoorbeeld een onderlijn aan de montage, de montage aan de hoofdlijn en de voerkorf aan de montage.
Behalve dat ze geschikt zijn om lijnen aan elkaar te bevestigen, beschikken ze ook over een draaimechanisme, wat er voor zorgt dat de lijn niet gaat kinken, met alle vervelende gevolgen van dien. Ze zijn er in verschillende groottes. Voor het feedervissen is een lengte van 2,5 cm zeer geschikt.

Vislijn:
Bij het feedervissen wordt zowel gebruik gemaakt worden van gevlochten lijn of nylon.

  
Dyneema                                             Nylon

Beide soorten lijnen hebben hun voor- en nadelen.

Gevlochten lijn (dyneema) is afkomstig uit de ruimtevaart en is zeer sterk, veel sterker dan nylon. In dyneema zit totaal geen rek. Nylon lijn is daarentegen minder sterk dan dyneema en beschikt wel over rek. Van beide eigenschappen maken we gebruik bij het feedervissen.

Als hoofdlijn wordt meestal gekozen voor dyneema, vanwege de dunne diameter (0,06-0,10 mm), de sterkte en het ontbreken van rek, vooral bij het vissen op grotere afstanden (meer dan 25 meter). Door het ontbreken van rek is er een hele zuivere beetregistratie en behoeft nauwelijks de haak gezet (aangeslagen) te worden. Wanneer alleen met dyneema gevist zou worden zouden alle klappen moeten worden opgevangen door de top, waardoor deze gemakkelijk kan breken. We kunnen het dus niet helemaal zonder een beetje rek stellen, daarom maken we gebruik van een nylon voorslag van 0,20-0,28 mm. Ook de montage bestaat uit nylon (0,20-0,28 mm) en tenslotte is de onderlijn ook van nylon (0,12-0,18 mm).
De montage, de voorslag en de onderlijnen (en het monteren daarvan) worden verderop in deze les besproken.

Hengelsteunen:
Er zijn diverse soorten hengelsteunen verkrijgbaar, die al dan niet zijn verbonden met de zitmand of de vlonder. De meest simpele uitvoering is echter een steun die in de grond gestoken kan worden en in de hoogte verstelbaar is. Zet de steun zodanig in de grond en stel de hoogte zodanig in, dat wanneer je de hengel in de hand hebt, de top van de hengel ongeveer 1 à 1,5 meter voor de top uitsteekt en zich ongeveer 10-25 cm boven water bevindt.



De montage:
Er zijn diverse soorten montages om de voerkorf te monteren met of zonder lus. In dit geval kiezen we voor een montage met lus, waarbij de voerkorf in de lus ongeveer 25 cm heen en weer kan schuiven, tussen de punten B en C. Het voordeel van zo’n lus montage is dat de vis minder weerstand voelt bij het aanbijten (hij voelt de voerkorf niet). Aan de onderzijde is de onderlijn met een warteltje bevestigd (punt A). De montage maken we van nylon met een dikte van ongeveer 0,25 mm.
Tussen de punten B en C dient een extra lijntje geknoopt te worden, waar de voerkorf aan komt. Maak hiervoor op de punten B en C een simpel lusje, knoop het lijntje tussen de punten B en C en trek de lusjes dicht. De montage is bij punt D aan de hoofdlijn bevestigd.
Zoals ik al aangaf is dit één van de vele voerkorfmontages die er door vissers gebruikt worden. Deze doet het goed, maar dat wil niet zeggen dat er geen betere montages zijn. Het is altijd raadzaam om de ogen goed de kost te geven en eventueel eens wat nieuws uit te proberen.

De voorslag:
De meeste feedervissers gebruiken als hoofdlijn gevlochten lijn (dyneema). Zoals al eerder beschreven zit er in dyneema totaal geen rek, met als gevolg dat de klappen van het inwerpen en drillen van de vis op de hengeltop neerkomen, waardoor deze gemakkelijk breekt. Omdat wij het niet zonder een beetje rek kunnen stellen is het noodzakelijk om een voorslag van nylon te monteren (nylonlijn heeft wel rek). De lengte van de voorslag moet ongeveer twee keer de lengte van de hengel zijn. De voorslag wordt aan de hoofdlijn gemonteerd met de voorslagknoop, ook wel uniknoop genoemd. De voerkorfmontage wordt aan de andere kant van de voorslag bevestigd. Maak aan de voorslag een lusje en aan de montage een lusje met een wartel.
Wanneer uitsluitend met nylon wordt gevist hoeft er uiteraard niet met een voorslag gevist te worden.

Onderlijnen:
De onderlijn wordt met een warteltje aan de voerkorfmontage bevestigd. De dikte van de onderlijn hangt af van de omstandigheden. Als er niet veel vis en vooral kleinere vis aast, dan is een dikte van 0,12 mm prima, maar als er flinke brasem op de stek zit kies dan voor 0,14 mm. Als er veel brasem op de stek zit en deze gaan af en toe door de onderlijn heen, neem dan een nòg dikkere lijn van bijvoorbeeld 0,18 mm.

De lengte van de onderlijn kan ook variëren. Als standaard kan voor een lengte van 60 cm gekozen worden. Aast de vis voorzichtig neem dan een langere onderlijn van 80-100 cm. In het geval de vis gulzig is en regelmatig de haak diep slikt dient voor een kortere onderlijn gekozen te worden.

Opbergklosjes voor onderlijnen en montages:
Zeer geschikt en goedkoop zijn rolletjes buisisolatie die in een bouwmarkt te koop zijn en die normaal gesproken worden gebruikt om CV-buizen te isoleren. De lijnen kunnen met kopspelden op de rolletjes worden vastgeprikt.

Onderlijnen:
De onderlijn wordt met een warteltje aan de voerkorfmontage bevestigd. De dikte van de onderlijn hangt af van de omstandigheden. Als er niet veel vis en vooral kleinere vis aast, dan is een dikte van 0,12 mm prima, maar als er flinke brasem op de stek zit kies dan voor 0,14 mm. Als er veel brasem op de stek zit en deze gaan af en toe door de onderlijn heen, neem dan een nòg dikkere lijn van bijvoorbeeld 0,18 mm.
De lengte van de onderlijn kan ook variëren. Als standaard kan voor een lengte van 60 cm gekozen worden. Aast de vis voorzichtig neem dan een langere onderlijn van 80-100 cm. In het geval de vis gulzig is en regelmatig de haak diep slikt dient voor een kortere onderlijn gekozen te worden.

Opbergklosjes voor onderlijnen en montages:
Zeer geschikt en goedkoop zijn rolletjes buisisolatie die in een bouwmarkt te koop zijn en die normaal gesproken worden gebruikt om CV-buizen te isoleren. De lijnen kunnen met kopspelden op de rolletjes worden vastgeprikt.


Copyright © 2005-2018 Hengelsportvereniging 'De Voorn' Alle rechten voorbehouden
Terug naar de inhoud