Hoofdstuk 07 - HSV de Voorn te Harlingen

Hengelsportvereniging 'De Voorn'
Harlingen
Ga naar de inhoud

Hoofdstuk 07

Vissen > Leren Vissen
Het vissen in de praktijk

Eindelijk is het dan zo ver, de voorbereidingen zijn getroffen. De spulletjes zijn allemaal aangeschaft en het voer is aangemaakt, zodat we nu kunnen gaan vissen.

Dit hoofdstuk gaat over het vissen in de praktijk m.a.w. wat gaan we allemaal doen om van onze visdag een succes te maken.

Het bepalen van de visplaats

Iedereen weet vast wel een water waar hij/zij graag in zou willen vissen. Dat water kan in de buurt zijn, maar ook verder weg liggen. Misschien dat een familielid of een andere (vis)kennis het er wel eens over gehad heeft dat het leuk is om hier te vissen of dat hij/zij daar een grote vangst heeft gedaan. Misschien zit het er wel heerlijk in het zonnetje en beschut tegen de wind.

Bij het bepalen van de visplaats spelen meerdere factoren een rol, waarbij ik er enkele zal noemen:
  • Persoonlijke voorkeur;
  • Beschikbaar water in de omgeving;
  • Ervaring van vrienden of kennissen;
  • Groot en diep water of misschien wel juist een kleine stadsvijver om de hoek van de straat;
  • De weersomstandigheden. Hierbij spelen de wind en de neerslag een grote rol;
  • Beschikbare visplaatsen. Staat er veel riet, is er een grasberm aanwezig of juist alleen maar een stenen kade? Of erger nog, bestaat de oever uit basaltblokken?

Over het algemeen raad ik een beginner aan om de eerste keren niet te “moeilijk” water op te zoeken. Niet moeilijk water is bijvoorbeeld een stadsgracht, vaart of kanaal waar niet te veel scheepvaart langs komt en wat niet dieper is dan zo’n 1,5 meter. Zoek bij voorkeur een plaats met de wind in de rug en kies niet een regenachtige dag uit om het voor de eerste keer te proberen. Een grasberm met niet te veel riet is uitstekend water om het eens te proberen.

Het opstellen van de spullen
Wanneer het viswater bepaald is gaan we onze spullen visklaar maken. Zet de spullen zodanig neer dat je er niet over kunt struikelen en dat toch alles onder handbereik ligt. Vergeet niet om je schepnet klaar te zetten, je kunt nooit weten wanneer je een grote vis aan de haak krijgt.

Zorg dat een draagriem van een vistas of viskoffer (zitmand) altijd goed weggestopt is. Het zal niet de eerste keer zijn dat iemand hier met zijn voet achter blijft haken en vervolgens in zijn val op zijn nieuwe hengel gaat staan. Het gebruik van een leefnet is een verhaal apart. Gebruik bij voorkeur geen leefnet, maar wil je er toch een gebruiken (voor het tellen, meten of wegen van de vis of bij een wedstrijd), dan is dit een verhaal apart, want hiervoor zijn bepaalde regels opgesteld:




Leefnetcode
Gebruik alleen een leefnet als dat noodzakelijk is en zorg er voor dat aan de volgende regels wordt voldaan:

1. Een leefnet moet tenminste 3 meter lang zijn en moet minimaal een doorsnede van 50 cm hebben. Het is knooploos en van zacht materiaal gemaakt.
2. Het leefnet moet degelijk bevestigd zijn. Belangrijk is dat het net voldoende gestrekt is en zoveel mogelijk horizontaal ligt. Door onderaan een verzwaring aan te brengen zal men die positie gemakkelijker realiseren.

 Fout      Goed

3. Een zo groot mogelijk deel van het leefnet moet onder water hangen, zodat de vis het volume maximaal kan benutten.
4. Plaats de opening van het leefnet binnen handbereik, zodat de vis er vlot kan worden ingezet.
5. Vis wordt altijd met natte handen vastgepakt en voorzichtig met de kop eerst in het leefnet gedeponeerd. Tijdens de vispartij wordt het leefnet niet herhaaldelijk uit het water getild.
6. Laat de vis niet langer dan strikt noodzakelijk in het leefnet en zorg er voor dat er niet te veel vis in het leefnet verblijft.
7. Om de vis terug te zetten, brengen we eerst de opening van het leefnet in het water. Stort de vis nooit terug, maar laat de vis zachtjes in het water glijden.

Het uitpeilen

Uitpeilen doen we op dezelfde plaats als waar wij ook vissen. Vissen we bijvoorbeeld 9 meter uit de kant, dan wordt de diepte in principe ook op die plaats bepaald. Ik ga er van uit dat we met een korte opslag vissen, d.w.z. de lengte van het snoer is de waterdiepte plus maximaal één meter van de hengeltop tot aan de dobber. Dit betekent ook dat als we bijvoorbeeld met een hengellengte van 9 meter zouden vissen, we bij het 4e deel (afhankelijk van de waterdiepte) af moeten steken om de vis te kunnen onthaken.
Bij het uitpeilen laten we het peillood recht onder de top naar beneden zakken en wachten tot het de bodem bereikt. Schuif hierna de dobber naar boven of naar beneden en peil opnieuw. Herhaal dit net zo lang totdat we op de juiste diepte vissen.

Op welke diepte we gaan vissen hangt van een aantal factoren af en deze kunnen van dag tot dag ook weer verschillen, soms zelfs van minuut tot minuut. Neem als voorbeeld een water wat eerst helemaal stil ligt en waar het plotseling begint te stromen! Ook de wind kan zo’n factor zijn of de soort en hoeveelheid vissen die we willen vangen. Er valt niet aan te ontkomen om zelf wat met de diepte te experimenteren. Wel zijn er een aantal richtlijnen te geven:

Water zonder stroming en weinig tot geen wind: vissen met de staande haak.
Zie onderstaande foto. De dobber wordt zodanig uitgelood dat de antenne nog net boven water uit steekt wanneer het peillood de bodem raakt.



Water met stroming of wind van opzij: vissen dik op de bodem.
Zie onderstaande foto. De dobber wordt zodanig uitgelood dat de dobber twee dobberlengtes boven water uit steekt wanneer het peillood de bodem raakt.



Het vissen op baars of op kleinere vis: vis enkele centimeters boven de bodem.
De dobber wordt zodanig uitgelood dat de antenne net geheel onder water is wanneer het peillood de bodem raakt.

Vissen bij warm weer of vissen op rietvoorn: zoek de vis op halve waterdiepte of vlak onder de oppervlakte. Een enkele keer, wanneer de vis niet bijten wil, helpt het om met “klein zink” te gaan vissen. Vanwege de warmte kan zuurstofgebrek in het water ontstaan, waardoor de vis zich in de bovenste waterlagen bevindt, waar meer zuurstof aanwezig is. Rietvoorn bevindt zich ook vaak vlak onder de oppervlakte, om daar te jagen op insekten die in het water zijn gevallen.

Tip: Er valt soms niet aan te ontkomen om zelf de vis op te zoeken. Wil de vis niet bijten, schuif dan eens de dobber omhoog of omlaag, totdat er wel aanbeten volgen.

Het verkennen van de bodemstructuur

Wanneer de gewenste visdiepte bepaald is, verken dan ook eens de bodem door voor, achter, links en rechts van de visplaats te peilen. Misschien is bijvoorbeeld 9 meter uit de kant wel helemaal geen goede plaats, maar is 8 meter uit de kant wel beter, of 75 cm meer naar links. Probeer het diepste punt te vinden en dan bij voorkeur ook nog een vlak stukje bodem. Op deze manier ontdekken we ook takken van bomen die op de bodem liggen en waar we met ons tuigje liever niet aan vast willen zitten. Is het 6 meter uit de kant nagenoeg even diep als 9 meter uit de kant, dan heeft het helemaal geen zin om ver uit de kant te vissen.

De loodverdeling op de lijn

Zeer belangrijk is de juiste loodverdeling op de lijn. Zo belangrijk zelfs, dat dit het verschil uit maakt tussen veel vangen of helemaal niets. Globaal kunnen we stellen dat wanneer het stroomt, we het lood wat meer naar beneden moeten schuiven, om toch het aas op of vlakbij de bodem aan te kunnen bieden. Een andere regel is om de grootste loodjes boven te plaatsen en de kleinste loodjes onder, om te voorkomen dat de vis weestand van het lood voelt tijdens het bijten.
De loodverdeling waar ik zelf meestal mee begin is als volgt: het onderste (kleine) loodje heb ik ongeveer 30 cm van de haak, 20 cm daarboven zit het volgende loodje en de rest van het lood zit daar weer zo’n 30 cm boven (loodjes bij elkaar of een schuifloodje). Plaats nooit loodjes op minder dan 30 cm van de haak, want de aanbeten zullen zeker teruglopen.
Wanneer het water rustig is (geen of weinig stroom / wind) en er zijn weinig aanbeten, verschuif dan het lood eens naar boven (laat het onderste loodje op 30 cm van de haak zitten).

Het voeren



Nu kan er gevoerd worden. Het doel van het voeren is om de vis uit de naaste omgeving naar de visplaats te lokken en hier te houden. In het vorige hoofdstuk heb ik verteld hoe het voer aangemaakt moet worden. Door de juiste hoeveelheid water toe te voegen is het voer zodanig vochtig dat er mooie voerballen van gekneed kunnen worden (zie de foto). Een voerbal mag straks aan de wateroppervlakte bij het werpen niet uit elkaar vallen en moet ook niet als een steen naar de bodem zinken en daar zo blijven liggen.



Werp het voer nu in de buurt van de dobber in het water. Gooi niet alles op slechts één punt, maar maak een voerplek door een aantal ballen bij elkaar in de buurt te gooien op bijvoorbeeld een vierkante meter. Indien alles “op een hoopje” wordt gegooid, dan is de kans groot dat er kleine vis wordt gevangen en dat de grote vis, die veel schuwer is, niet dichterbij durft te komen vanwege de grote drukte op de voerstek. Onderhoud de voerplaats door op regelmatige tijden wat bij te voeren. Ook nu kan ik weer een richtlijn geven: gooi de eerste keer 4 voerballen ten grote van een appel op de voerplaats en laat dan de voerplaats 30 minuten à 45 minuten met rust. Gooi daarna om de 10 minuten steeds een paar kleine voerballetjes bij ten grote van een flinke aardbei.
Wanneer de vis goed op de stek zit, wees dan voorzichtig met het bijwerpen van kleine voerballen, want vooral op ondiep water kunnen de vissen door het plonzen op de vlucht slaan. Beter is het dan om om de paar minuten wat maden bij te werpen, zie de foto hieronder.



Wanneer de aanbeten dan terug lopen of weg vallen kan er weer gewoon bijgevoerd worden
Als we in een groot kanaal vissen en er komt een vrachtschip voorbij, dan is door de zuiging al het voer verdwenen van de visplaats en waarschijnlijk de vis ook. Lok de vis opnieuw naar de visplaats door één of meer ballen ten grote van een appel te werpen.

Tot slot
Zoals ik in een eerder hoofdstuk al genoemd heb is vissen meer dan je denkt. Er komt veel kijken om je visdag tot een succes te maken. Het verdient aanbeveling om, wanneer het niet wil bijten, te gaan experimenteren met het peil of met de loodverdeling op de lijn. Wanneer het écht niet wil, probeer dan ook eens een andere stek of kom een andere keer eens terug. Er zijn momenten dat de vissen stil op de bodem liggen en niet willen bijten, wat je ook probeert!






Copyright © 2005-2018 Hengelsportvereniging 'De Voorn' Alle rechten voorbehouden
Terug naar de inhoud